Rekenen in groep 3 van de basisschool
Klik hier voor een algemene gebruiksaanwijzing bij de oefenvellen.
Tellen en natuurlijke getallen
0, 1, 2, .. , 20 20, 19, .., 1, 0 |
Herhaling: tellen, doortellen, terugtellen (tot 20) |
19 |
Getallen lezen en schrijven tot 20 |
98 |
Getallen lezen en schrijven tot 100 |
98 betekent: 90 + 8 |
Inzicht in opbouw van het decimale positiestelsel bij getallen tot 100 |
Optellen van natuurlijke getallen
groepjes voorwerpen samenvoegen |
Optellen van twee getallen van één cijfer, verband met samenvoegen van aantallen voorwerpen |
+ = |
Notaties en betekenis van het plusteken (+) en het gelijkteken (=) in opgaven als 3 + 4 = (n.b.: gelijkteken hier alleen gebruiken in de 'productieve betekenis': links de opgave, rechts het antwoord) |
3 + 4 = 7 |
Automatiseren van de optellingen van twee getallen van één cijfer met als doel dat de leerlingen ze zonder verder nadenken paraat hebben |
Aftrekken van natuurlijke getallen
van een groep voorwerpen een kleiner groepje weghalen |
Aftrekken van een getal van één cijfer van een groter getal van één cijfer; verband met weghalen van aantallen voorwerpen |
- = |
Notaties en betekenis van het minteken (-) en het gelijkteken (=) in opgaven als 8 - 3 = |
12 - 4 = 8 |
Automatiseren van de aftrekkingen onder de twintig met als doel dat de leerlingen ze zonder verder nadenken paraat hebben |
Tijd, geld en snelheid
kloksjablonen zonder wijzers |
|
klok met wijzers |
Klokkijken: hele en halve uren. Uur later, uur eerder
|
kalenderkennis |
Dag, week, maand, jaar. Kalenderkennis |
winkeltje spelen met euromunten |
Munten van 1, 2, 5, 10 en 20 eurocent kennen en ermee kunnen omgaan ('winkeltje spelen', inwisselen, teruggeven) |