Rekenmateriaal per onderwerp

Klik hier voor een algemene gebruiksaanwijzing bij de oefenvellen.

Tellen en natuurlijke getallen

klein aantal voorwerpen 

Kleine aantallen voorwerpen (tot tien) herkennen, vergelijken (meer/minder) en tellen

  • Bij de openbare bibliotheken is veel materiaal te leen, bijvoorbeeld de DVD Muis kleuren en tellen
1
0 1 2 3
4 5 6
7 8 9

Cijfers herkennen en benoemern

  • Sesamstraat DVD's, (bijvoorbeeld: 'Cijfers & Letters'). Klik hier voor de website van Sesamstraat.
  • MINI LOCO, verkrijgbaar in speelgoedwinkels.
    Met name de volgende twee los verkrijgbare boekjes:
    • Rekenspelletjes 1, Ik kan tellen (5 jaar)
    • Rekenspelletjes 2, Ik kan tellen (5-6 jaar)
1
0, 1, 2, .. , 20
20, 19, .., 1, 0

Tellen, doortellen, terugtellen (tot 20)

2
19 

Getallen lezen en schrijven tot 20

3
98 

Getallen lezen en schrijven tot 100

3
98 betekent:
90 + 8 

Inzicht in opbouw van het decimale positiestelsel bij getallen tot 100

3
getallenlijn:
0—1—2—3—4— 

Natuurlijke getallen op de getallenlijn, verband met aantallen, ordening (kleiner, groter)

4
876 betekent:
800 + 70 + 6

Inzicht in opbouw van het decimale positiestelsel bij getallen tot 1000 en (later) ook grotere getallen

4
5
6

Optellen van natuurlijke getallen

groepjes
voorwerpen
samenvoegen
 

Optellen van twee getallen van één cijfer, verband met samenvoegen van aantallen voorwerpen

3
+ =

Notaties en betekenis van het plusteken (+) en het gelijkteken (=) in opgaven als 3 + 4 = (n.b.: gelijkteken hier alleen gebruiken in de 'productieve betekenis': links de opgave, rechts het antwoord)

3
3 + 4 = 7

Automatiseren van de optellingen van twee getallen van één cijfer met als doel dat de leerlingen ze zonder verder nadenken paraat hebben

3
4
5
6
7
8
3 + 44 =
 

Uit het hoofd een getal van één cijfer optellen bij een getal van twee cijfers

4
5
6
7
8
300 + 500 =
300 + 5000 =
 

Twee getallen van één cijfer gevolgd door een aantal nullen uit het hoofd bij elkaar optellen

4
5
6
7
8
89
24
———— +

Met pen en papier twee of meer getallen van twee cijfers bij elkaar optellen (onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

4
7889
 324
5032
—————— +

Met pen en papier twee of meer getallen van twee of meer cijfers bij elkaar optellen (onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

5
6
7
8

Aftrekken van natuurlijke getallen

van een groep voorwerpen een kleiner groepje weghalen

Aftrekken van een getal van één cijfer van een groter getal van één cijfer; verband met weghalen van aantallen voorwerpen

3
- =

Notaties en betekenis van het minteken (-) en het gelijkteken (=) in opgaven als 8 - 3 =

3
12 - 4 = 8

Automatiseren van de aftrekkingen onder de twintig met als doel dat de leerlingen ze zonder verder nadenken paraat hebben

3
4
5
6
7
8
44 - 3 =
 

Uit het hoofd een getal van één cijfer aftrekken van een getal van twee cijfers

4
5
6
370 - 6 = 

Uit het hoofd een getal van één cijfer aftrekken van een getal dat eindigt op een nul

4
5
6
89
24
———— -

Met pen en papier een getal van twee cijfers aftrekken van een groter getal van twee cijfers (onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

4
7889
 324
—————— —

Met pen en papier een getal van twee of meer cijfers aftrekken van een groter getal (onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

5
6
7
8

Vermenigvuldigen van natuurlijke getallen

2 maal 3 snoepjes betekent:
  3 snoepjes +
3 snoepjes

Vermenigvuldigen in contexten met kleine getallen

4
X =

Notaties en betekenis van het maalteken (x) en het gelijkteken (=) in opgaven als 8 x 3 =

4
5 x 7 =

Automatiseren van de tafelproducten tot en met 10 x 10 met als doel dat de leerlingen ze zonder verder nadenken paraat hebben

4
5
6
7
8
673 x 1000 =

Uit het hoofd vermenigvuldigen van een getal met 10, met 100, met 1000

5
6
7
8
90 x 30 =

Uit het hoofd twee getallen die bestaan uit één cijfer gevolgd door een aantal nullen met elkaar vermenigvuldigen

5
6
7
8
259
  5
—————— X

Met pen en papier een getal van twee of meer cijfers vermenigvuldigen met een getal van een cijfer (onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

5
259
 35
—————— X

Met pen en papier twee getallen van twee of meer cijfers met elkaar vermenigvuldigen (onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

5
6
7
8

Delen van natuurlijke getallen

6 snoepjes
verdelen onder
2 kinderen

Delen (verdelen) met kleine aantallen voorwerpen

4
: =

Notaties en betekenis van het deelteken (x) en het gelijkteken (=) in opgaven als 32 : 4 =

4
35 : 7 =

Automatiseren van delingen die opgaan ('omgekeerde tafelproducten) waarbij de deler en het quotiënt kleinger dan 10 zijn, met als doel dat de leerlingen ze zonder verder nadenken paraat hebben

4
5
6
7
8
37 : 7 =

Uit het hoofd een deling met rest uitvoeren als de deler en het quotiënt getallen zijn van één cijfer

5
6
7
8
5 / 399 \

Met pen en papier een staartdeling uitvoeren waarbij de deler een getal van één cijfer is

5
deeltal
deler
quotïent
rest

Terminologie kennen: deeltal, deler, quotiënt, rest

6
7
8
25 / 399 \

Met pen en papier een staartdeling uitvoeren waarbij de deler een getal van twee of drie cijfers is

6
7
8
staartdeling
controleren

De uitkomst van een staartdeling controleren door middel van een vermenigvuldiging
Voorbeeld: 14363 : 13 = 1104 rest 11 (via een staartdelin).
Cotrole: 1104 x 13 + 11 = 14363

6
7
8

Rekenen met kommagetallen

 €3,98

Kommagetallen herkennen in praktijksituaties, bijvoorbeeld bij het rekenen met geldbedragen of bij het gebruik van schaalverdelingen op linialen en andere meetinstrumenten

5
getallenlijn 

Kommagetallen plaatsen op de getallenlijn

 
54,78 x 10 =

Uit het hoofd een kommagetal vermenigvuldigen met 10, 100, 1000 enzovoort

5
6
7
8
54,78 : 10 =

Uit het hoofd een kommagetal delen door 10, 100, 1000 enzovoort

5
6
7
8
afronden 

Uit het hoofd een kommagetal afronden naar een natuurlijk getal of naar een kommagetal met een gegeven aantal cijfers achter de komma

5
6
7
8
2,78
6,25
—————— +

Met pen en papier optellen van twee kommagetallen (optellen onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

6
7
8
6,78
4,25
—————— -

Met pen en papier een kommagetal van een groter kommagetal aftrekken (aftrekken onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

6
7
8
6,78
4,25
—————— x

Met pen en papier twee kommagetallen met elkaar vermenigvuldigen (vermenigvuldigen onder elkaar, traditioneel rekenrecept)

7
8
5 / 4,78 \

Een staartdeling uitvoeren waarin de deler een natuurlijk getal is en het deeltal een kommagetal.
Voorbeeld:
14,363 : 13 = 1,104 rest 0,011
(Controle: 1,104 x 13 + 0,011 = 14,363)

7
8
15% = 0,15
0,2% = 0,002
235% = 2,35

Procenten omzetten in kommagetallen en omgekeerd.

7
8

Breuken

pizzadiagram 

Breuken visualiseren door middel van bijvoorbeeld pizzadiagrammen (taartdiagrammen)

5
6
7
8
getallenlijn 

De positie van breuken aangeven op de getallenlijn

5
6
7
8
teller
————————
noemer

Terminologie kennen: teller, noemer, breukstreep (horizontaal of schuin)

5
6
7
8
3 = 3
1

Een natuurlijk getal als breuk schrijven (noemer 1)

5
6
7
8
0,7 = 7
10

Een kommagetal als breuk schrijven (noemer 10, 100, ...)

5
6
7
8
15 =
25

Een breuk vereenvoudigen (teller en noemer delen door een gemeenschappelijke deler)

5
6
7
8

Rekenen met breuken

Wie is er bang voor breuken?
Een volledige en overzichtelijke breukencursus voor oudere kinderen en volwassenen.

Een volledige breukencursus in vier lessen

6
7
8
..
2 en 3
7 5

Twee breuken onder één noemer brengen (gelijknamig maken)

6
7
8
2 + 3 =
7 5
6 - 3 =
7 5

Twee breuken na gelijknamig maken bij elkaar optellen of van elkaar aftrekken

6
7
8
2 x 3 =
7 5

Twee breuken met elkaar vermenigvuldigen

6
7
8
2 : 3 =
7 5

Een breuk delen door een breuk, met gebruikmaking van de regel dat delen door een breuk hetzelfde is als vermenigvuldigen met de omgekeerde breuk

6
7
8

Lengte, oppervlakt, inhoud en gewicht

Het metrieke stelsel

Het metrieke stelsel

6
7
8
centimeters
meters
kilometers

Kennismaken met algemeen bekende lengte-eenheden: centimeters op een liniaal, meters, kilometers; lengte en afstanden meten in eenvoudige situaties

4
5
6
7
8
hm, km, ... 

Het metrieke stelsel voor lengtematen kennen en lengtematen in elkaar kunnen omrekenen; mm, cm, dm, m, dam, hm, km

5
6
7
8
cm2, m2, km2
hectare

Kennismaken met algemeen bekende oppervlakte-eenheden: vierkante centimeter, vierkante meter, vierkante kilometer, hectare; oppervlakte en omtrek meten in eenvoudige situaties (rechthoeken en uit rechthoeken samengestelde figuren)

6
7
8
3 dam2 = ... m2
5 are = ... m2

Het metrieke stelsel voor oppervlaktematen kennen en oppervlaktematen in elkaar kunnen omrekenen:
mm2, cm2, dm2, m2, dam2 (are), hm2 (hectare), km2

7
8
cm3, m3, liter

Kennismaken met algemeen bekende inhoudsmaten: kubieke centimeter, kubieke meter, liter; inhoud meten in eenvoudige situaties (rechthoekige blokken en uit rechthoedige blokken samengestelde eenvoudige figuren)

7
8
3 dam3 = ... m3
5 liter = ... cm3

Het metrieke stelsel voor inhoudsmaten kennen en inhoudsmaten in elkaar kunnen omrekenen:
mm3, cm3, dm3, m3, dam3, hm3, km3.
Daarnaast ook milliliter, centiliter, deciliter, liter, decaliter, hectoliter, kiloliter

7
8
32 hg = .. g
472 kg = .. ton

Het metrieke stelsel voor gewichten kennen en gewichtsmaten in elkaar kunnen omrekenen:
mg, cg, dg, g, dag, hg, kg, ton

7
8
gram
kilogram
ton
...

Kennismaken met algemeen bekende gewichts-eenheden zoals gram, kilogram, ton, milligram (en informeel ook: ons, pond); gewichten meten in eenvoudige situaties

4
5
6
7
8
32 hg = .. g
472 kg = .. ton

Het metrieke stelsel voor gewichten kennen en gewichtsmaten in elkaar kunnen omrekenen:
mg, cg, dg, g, dag, hg, kg, ton

6
7
8

Tijd, geld en snelheid

kloksjablonen zonder wijzers

Klokkijken

3
4
5
6
7
8
klok met wijzers
 

Klokkijken: hele en halve uren. Uur later, uur eerder

3
4
wijzerklok
en
digitale klok

kwartieren
minuten
seconden

06:33

Klokkijken: kwartieren, minuten en seconden.
Digitale klokken. 60 seconden in een minuut, 60 minuten in een uur, 24 uren in een dag, 7 dagen in de week.

4
5
6
kalenderkennis

Dag, week, maand, jaar. Kalenderkennis

3
4
5
6
7
8
winkeltje spelen
met euromunten

Munten van 1, 2, 5, 10 en 20 eurocent kennen en ermee kunnen omgaan ('winkeltje spelen', inwisselen, teruggeven)

3
4
euro munten

Alle euromunten kennen en ermee kunnen omgaan (inwisselen, teruggeven)

4
euro munten
en
biljetten

Alle euromunten en biljetten kennen en ermee kunnen omgaan

4
5
6
€10 - €4,30 

Rekenen met geldbedragen in euro's

5
6
7
8
10% van €4,30 

Rekenen in percentages in contexten met geld

6
7
8

Omrekenen van geldbedragen in euro's naar andere valuta en terug bij een gegeven wisselkoers

7
8
 km/u

Snelheid: betekenis van kilometers per uur (km/u)

5
6
7
8
 km/u
m/sec

Snelheid: betekenis van meters per seconde (m/s). Omrekenen van km/u naar m/s en omgekeerd

7
8